“One hand, one heart. Even death won’t part us now,” woorden uit de musical ‘West Side Story’ die net zo onsterfelijk zijn als de schrijver ervan: Leonard Bernstein. Deze Amerikaanse dirigent en componist is een van de belangrijkste muzikanten van de twintigste eeuw en een absolute legende. Weinig mensen hebben hem zo goed gekend als zijn laatste persoonlijke assistent, Craig Urquhart. Voor hem was Bernstein een genie met een groot hart.
Craig, heel erg bedankt om ons in je appartement in Berlijn te ontvangen. Wanneer heb je Bernstein voor het eerst ontmoet?
“Ik was vier jaar oud toen ik hem voor de allereerste keer aan het werk zag op televisie. Er speelde bijna altijd muziek in huis, mijn moeder was pianiste. Maar net zoals in alle andere huishoudens deed de tv ook bij ons zijn intrede. Met het hele gezin zaten we voor de buis om te kijken naar ‘Young People’s Concert’ met Bernstein. Het bijzondere is, is dat ik me nu nog herinner hoe hij een enorme indruk op mij maakte. Hij had een heel open houding tegenover jongeren om hen onder te dompelen in de wereld van de klassieke muziek. Wars van enige vorm van snobisme of elitarisme.”
Op dat moment had je nog geen idee dat je later zo nauw met hem zou samenwerken.
“Is het niet fascinerend hoe het leven kan lopen? In 1976 studeerde ik af als componist aan de Universiteit van Michigan. Zes weken later verhuisde ik naar New York, op de Fourth of July, precies de tweehonderdste verjaardag van de Verenigde Staten. Ik vond een huurflat in Chinatown en ging ’s avonds naar een concert in Central Park voor de ‘Bicentannial’ en toen hoorde ik Bernstein voor het eerst live. Ik wist: die man wil ik ontmoeten. Al snel kwam ik te weten dat hij in het Dakotagebouw woonde in 72nd Street en liet een brief achter en wat van mijn eigen muziek.”
Onder het motto: ‘Een nee heb je, een ja kan je krijgen.’
“Precies! Ik schreef dat ik als jonge componist net verhuisd was vanuit de Midwest naar de Big Apple en hem graag eens wilde spreken. Na enkele dagen belde zijn secretaresse met een uitnodiging om een generale repetitie van het New York Philharmonic in Avery Fisher Hall bij te wonen. Op het einde mocht ik mee backstage en daar schudden we elkaar voor het eerst de hand. Hij was ongelooflijk hoffelijk en nieuwsgierig, precies zoals ik hem als kind herinnerde. We hadden een leuk gesprek en leerde er ook zijn business manager en entourage kennen. Ik ging weg met de gedachte: “Nou, dat was cool,” en ging weer verder met mijn leven. Ik werkte toen voor een muziekuitgeverij en een tijdje later kreeg ik ineens telefoon van zijn manager. “’Where are you?’ Je had hier moeten zijn voor een sollicitatie met Bernstein. Je hebt toch gereageerd op een advertentie in The New York Times om zijn assistent te worden?” Ik viel compleet uit de lucht. Achter bleken de manager, Harry, die later een goede vriend werd, en mijn toenmalige baas hier samen achter te zitten.”
Daar stond je dan: onvoorbereid voor een gesprek met Bernstein.
“We zaten met z’n zessen in de kamer, en we kennen elkaar nog steeds. Iedereen is uiteindelijk in de muziekindustrie terechtgekomen. Lenny gaf me mijn muziek terug die ik aan zijn deur had achtergelaten. Naast enkele liedjes zat er ook een groot hedendaags orkestwerk bij waarmee ik wilde bewijzen dat ik de hele twintigste eeuw kende. Hij corrigeerde de partituur, keek me aan en vergeleek het met mijn liedjes. “Het zijn als twee verschillende mensen voor mij en slechts één van hen is echt. Wie?” Ik antwoordde dat mijn liedjes het meest uit mezelf kwamen. “Waarom schrijf je dan dat andere spul. Doe het niet. Het is niet eerlijk tegenover jezelf.” Een waardevolle les die me tot vandaag bijblijft.”
Was je aangenomen?
“Ik kreeg een aanbod maar ik wist niet of het zou lukken om voor hem te werken. Ik was net naar New York verhuisd en moest nog wennen aan de cultuurshock. Het leven in New York in de jaren ’70 was tamelijk hard. En ik wist dat Bernstein niet meer samen was met zijn vrouw en samenwoonde met een jonge man. Dus hield ik liever de boot af. Harry liet me wel altijd langskomen op feestjes en zo leerde ik Lenny in de loop der jaren beter kennen. Net zoals andere sterren. Soms viel ik in als barkeeper en mixte drankjes voor mensen als Lauren Bacall. Bernstein was geen doorsnee figuur. Hij was flamboyant, heel erg links en tegelijk een superster. Maar dat politieke, humanistische en activistische trok me wel aan. Uiteindelijk zei ik pas acht jaar later toe om zijn assistent te worden.”
Hoe was het om met Bernstein samen te werken?
“Hij bleef altijd iemand met een grote interesse voor mensen en muziek. Die eerste indruk die hij me destijds gaf, is nooit weggegaan. Hij hield niemand voor de gek en volgens mij is dat een van de redenen waarom hij zo’n geweldige muzikant was. Altijd eerlijk en duidelijk. En nooit agressief. Hij gedroeg zich niet als een strakke, Teutoonse dirigent. Bernstein ging minzaam om met iedereen die met hem samenwerkte. In de plaats van “Dat doe je verkeerd,” zei hij “Laten we het op deze manier proberen.” Maar natuurlijk was het wel intensief met hem. Als zijn assistent stond ik 24/7 voor hem klaar. Ik ging thuis slapen en kreeg een paar weken vakantie, maar dat was het. Het betekende niet dat hij zich alles veroorloofde. Hij behandelde me met respect en heeft me zeker nooit in het midden van de nacht opgebeld voor iets.”
Wat was jouw taak als assistent?
“Ik moest ervoor zorgen dat hij kon functioneren op het niveau dat hij wilde. Ik deed niet alleen zijn logistiek maar zorgde ervoor dat hij ook zijn ruimte had. Ik wist wie ik binnen moest laten en wie niet. Een assistent is een soort van poortwachter. Bernstein leed dus een ontzettend druk leven. Hij toerde continu, sliep nooit en werkte altijd hard. Maar er waren ook dagen dat Lenny liever geen Leonard Bernstein zou zijn. Dan zei hij ’s morgens dat hij geen zin had om het New York Philharmonic te dirigeren en vroeg hij mij om af te zeggen. Dan antwoordde ik dat hij zelf mocht bellen om de boodschap te brengen. “Fuck you,” snauwde hij en dan ging hij toch. (lacht) Componeren viel hem eigenlijk het zwaarst, want dat is eenzaam werk en je moet de confrontatie aangaan met je twijfels en demonen. Dat lukte hem minder. Zijn beste werken zijn daarom samenwerkingen met anderen, zoals West Side Story.”
Er is niets Amerikaanser dan West Side Story, maar Bernsteins carrière speelde zich ook voor een groot deel af in Europa.
“Toen hij dirigent was van het New York Philharmonic was hij zeer geliefd bij het publiek en de musici. Maar de pers vond hem te excentriek en haatte hem. Week na week verschenen er negatieve recensies. Het is een van de redenen waarom ik denk dat hij naar Europa wou verkassen. Met het Wiener Philharmoniker zou hij een bijzondere band opbouwen. In het begin voelde het wat onwennig, want zoals hij in zijn eigen woorden vertelde, dirigeerde hij voor de mensen die hem naar een kamp zouden gestuurd hebben. Maar volgens mij zag hij het ook als een daad van verzet. Dirigeren in Berlijn of München, ook een voormalig broeinest van het fascisme, daar als jood op het podium staan was in die naoorlogse periode ook een vorm van overwinning.”
Hoe was Bernsteins relatie met die andere iconische dirigent, Herbert von Karajan?
“Het is een mythe dat er tussen hen rivaliteit bestond, maar dat is niet waar. Rond de jaren ‘50 zijn ze elkaar voor het eerst tegengekomen in Milaan en ze spraken later regelmatig af. Beide families hingen samen rond op de Festspiele in Salzburg. En ze hadden net na, wat achteraf von Karajans laatste concert in Wenen bleek te zijn geweest, nog veel tijd met elkaar doorgebracht. Toen von Karajan overleed, was Lenny dan ook erg overstuur. We waren op het Taormina Opera Festival. Hij ging onmiddellijk erna zijn loge in en wilde niet meer gestoord worden. Het concert voor de opening van de Opera de Bastille droeg hij op aan von Karajan en voor de herdenking in Wenen speelde hij met het Wiener Filharmoniker het adagietto van Mahler voor hem. Dus ze respecteerden elkaar enorm.”
Waarom had Bernsteins zo’n fascinatie voor Mahler?
“Ik denk dat het voor Lenny als jood belangrijk was om deze ongelooflijke componist te promoten en op het podium te brengen. Mahler werkte ook met het New York Philharmonic, en ook de connectie met Wenen lag er. Bernstein voelde zich persoonlijk aangetrokken tot Mahler door de diepe emoties in zijn muziek. Dus Mahler resoneerde bij Lenny op verschillende niveaus. Ik had het geluk om hem elke symfonie te horen dirigeren. Behalve de achtste, want net daarvoor stierf hij.”
Wat bewonder je zo aan Bernstein?
“Zijn generositeit. Zoals ik al vertelde over zijn goede verstandhouding met von Karajan, zo respecteerde hij ook Georg Solti. Toen Bernstein het Chicago Symphony dirigeerde waar Solti directeur was, schreef de recensent dat Lenny het orkest tot leven had bracht. Hij was er kwaad om: “Ik ben niet naar Chicago gekomen om Solti te overschaduwen,” en hij gooide zijn krant door de kamer. Ook de ontmoeting met Barenboim in Israël verliep heel uitbundig. Ik heb Lenny nooit betrapt op een negatieve, of vileine commentaar op collega-dirigenten. Diezelfde vrijgevigheid toonde hij wanneer hij jonge muzikanten begeleidde. Hij hoefde dit niet te doen, maar hij vond het zijn taak om zijn kennis en ervaring te delen. En daarvoor gebruikte hij, zoals ik als vierjarige zag, de kracht van een nieuw medium als televisie.”
Want wat ik me altijd afvraag: Bernstein is een van de grootste muziekiconen uit de vorige eeuw en ook iemand als Charlie Chaplin staat in ons collectieve geheugen gegrift. En er zijn vandaag misschien wel meer celebrities, maar de wereld lijkt minder iconen van het kaliber van Bernstein te tellen?
“Je kunt je nu niet meer voorstellen dat een heel gezin voor de televisie zit om naar een jongerenconcert met klassieke muziek te kijken. Zeker niet in een wereld waar iedereen zijn eigen scherm heeft is. En dat is tegelijk het antwoord op je vraag waarom er geen iconen meer zijn: omdat we minder collectieve ervaringen delen met elkaar. We zijn een soort gemeenschapsgevoel verloren dat wel bestond toen ik opgroeide. Vandaag is alles wegwerpbaar. Zo krijg je klassieke muziek nu op Spotify in een voorgeprogrammeerde lijst. Jongeren hebben ook een veel kleinere aandachtspanne dan vroeger, terwijl cultuur wel om een inspanning vraagt. Je moet er tijd voor uittrekken, net zoals je moeite moet doen om de geschiedenis te willen begrijpen. Wie luistert er nog geconcentreerd naar muziek? En omdat alles zo vluchtig is geworden, krijgen eventuele iconen ook niet meer de tijd en ruimte om zich te vestigen.”
Wat zou Bernstein van deze ontwikkelingen denken?
“Hij was een activist, dus ik weet het niet helemaal. Maar hij was wel iemand die politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van dichtbij volgde. Een hoogtepunt in zijn leven was de val van de Berlijnse Muur. Zijn hele wezen draaide om het afbreken van muren en mensen proberen te laten samenleven, in wederzijds begrip en zonder oordelen. Op het moment van de val van de Muur was hij in de Verenigde Staten. Enkele weken later werd er een concert in elkaar gestoken waaraan hij meedeed. Het was een erg ontroerende ervaring voor hem, misschien omdat hij voelde dat zijn gezondheid achteruitging. Tien maanden later is hij dan ook gestorven.”
Sprak hij met jou over de dood?
“Ja, dat waren soms moeilijke gesprekken. Maar zoals de componist Ned Norem zei: Bernstein leefde voor vijf. Als hij van een tournee thuiskwam, trok hij zich twee weken terug en lag hij veel in bed omdat hij uitgeput was. Maar anders sliep hij amper. Hij werkte continu, rookte aan één stuk door. Op het einde van zijn leven had hij nog de kracht om het Pacific Music Festival in Japan te inaugureren. Hij gaf zijn allerlaatste concert in Tanglewood, waar hij ook zijn eerste orkest ooit dirigeerde. Net zoals hij zijn eerste Europese concert in Praag had gegeven en ook daar voor het laatst in Europa zou optreden. Hij moet gevoeld hebben dat hij niet lang meer had.”
Wat is de impact van Bernstein geweest op de klassieke muziek?
“De bariton Thomas Hampson zegt: “Er zijn twee soorten mensen op de wereld. Zij die Bernstein kenden en zij die hem niet kenden.” Hij kreeg het beste in muzikanten naar boven en had altijd een heel interessante benadering van de partituur. Hij kon de muziek op een fascinerende manier begrijpen en uitleggen. Hij was ook heel gulzig en altijd op zoek naar een nieuw stuk om te dirigeren. Bernstein was een genie. De moeilijkste kruiswoordraadsels kreeg hij op een kwartier opgelost. De man die de raadsels voor de London Observer ontwierp, faxte altijd zijn puzzels naar Bernstein. in een mum van tijd faxte hij die ingevuld terug. Voor deze kleine uitdagingen leefde hij. Hij was een bijzondere mens, maar ook maar een mens. Hij had zijn ups en downs, problemen zoals iedereen, en emotionele moeilijkheden. Hij ervaarde zijn talenten daarom soms ook als een last: hij vond altijd dat hij wel meer had kunnen doen, nog meer kunnen componeren, nog meer dirigeren.”
Had hij een favoriet stuk?
“Oh, daar kan ik geen antwoord op geven. Ik bedoel, ik weet dat hij van Mahler hield, maar… Ik kan je wel vertellen wat ik zijn meest bijzondere concert vond. Dat was er eentje tijdens het Beethoven Festival in Bonn. Het dak vloog van de concertzaal. Daar spreken ze er nu nog over. Niemand had ooit zoiets gehoord. Weet je… Lenny blonk uit in zijn talenten maar voelde tegelijk de behoefte om die te delen en de wereld een betere plek maken. Dat alleen al maakt hem een icoon voor mij.”