Na achttien jaar aan het roer van De Munt nam Peter de Caluwe afscheid. Nu waait er een nieuwe wind op het Muntplein. Sinds 1 juli 2025 is de Duitse Christina Scheppelmann intendant van operahuis. Ze heeft sterke adelbrieven en verdiende haar sporen bij zowel San Francisco Opera, Washington National Opera, Gran Teatre del Liceu als Seattle Opera. Maar het stond niet in de sterren geschreven dat ze belangrijke functies in de cultuurwereld zou vervullen. Ze begon met een kantoorbaan en bouwde uiteindelijk een carrière uit die haar zelfs een vriendschap opleverde met Ruth Bader Ginsburg.
Wat is, achteraf gebleken, cruciaal geweest voor je loopbaan in de operawereld?
Het hebben van een Spaanse vader. (lacht) Ik groeide tweetalig Spaans-Duits op en zong in het kinderkoor van de Hamburgische Staatsoper. Omdat ik vloeiend Spaans sprak, raakte ik gemakkelijk aan de praat met de Spaanse en Italiaanse zangers die na de voorstelling nog iets gingen drinken. Er zijn maar weinig mensen in Hamburg die het Spaans onder de knie hebben, en Italiaans schudde ik uit mijn mouw. Zo raakte ik later bevriend met een Italiaanse zangeres die me in contact bracht met haar agent. Ondertussen volgde ik een financiële opleiding, om toch een diploma te hebben. Op mijn tweeëntwintigste vertrok ik naar Milaan om voor dat Italiaanse artiestenbureau te werken. Dat bleek achteraf de beste manier om een voet tussen de deur te krijgen in de operawereld.
Zijn de carrièredrempels in de cultuurwereld hoog?
Niemand zou mij als twintigjarige hebben aangenomen. Alles was nog erg hiërarchisch in Europa, ik kon nergens zomaar aankloppen voor werk. Gelukkig vertrok ik in 1994 naar de San Francisco Opera en werd daar, op mijn achtentwintigste, directeur van de artistieke administratie. In Europa had ik op die leeftijd nooit senior manager van een operahuis kunnen worden.
Toen ik destijds, als voorzitter van de Vlaamse Opera, Aviel Cahn mee aanstelde als jongste intendant ooit, kwam er ook veel kritiek.
Dat je grijs haar hebt en iets al langer doet, wil nog niet zeggen dat je per se slimmer bent dan een ander. En ik had grote schoenen te vullen, want ik verving Sara Billinghurst, die daarna assistent-manager van de Metropolitan Opera werd. “Sometimes, innocence is bliss.” Ze waagden de gok om mij het te laten proberen. Uiteindelijk ben ik zeven jaar gebleven, dus zo slecht zal het niet zijn geweest. We maken op dit continent een grote fout door jonge mensen niet meer kansen te geven. Daarom ben ik de VS zo dankbaar. Al bepalen de arbeidsvoorwaarden ook mee de mentaliteit: in de VS kan je iemand makkelijker ontslaan. Ook ik had een contract met een opzegtermijn van amper twee weken. Maar dat stimuleert je. Te veel jobzekerheid staat ook zelfontwikkeling in de weg. Het is bovendien slecht voor de economie als je je drive en ambitie verliest.
Je hebt op verschillende plekken in de Verenigde Staten gewerkt, je laatste halte voor De Munt was Seattle. Zie je duidelijke verschillen tussen de operahuizen in de VS?
Je kunt in elk geval niet veralgemenen. Elk huis heeft zijn eigen identiteit. De VS is een heel heterogeen land; veel mensen denken dat ze Amerika kennen als ze New York hebben gezien. Het tegenovergestelde is waar. De meeste operahuizen zijn ook erg jong, omdat ze veelal pas opgericht zijn in de jaren ’60 en ’70. Het grootste verschil is dat je in de VS alleen werkt met private middelen.
Heb je een voorkeur?
Nee, beide systemen zijn imperfect. Overheidssubsidies kunnen leiden tot verspilling omdat je in feite weinig hoeft te verantwoorden. Je krijgt je werkingsmiddelen ongeacht wat je aflevert. Persoonlijk vind ik dat een systeem dat draait met publiek geld je juist de grootste verantwoordelijkheid geeft, want iedereen op straat – die zijn belastingen betaalt, tenminste – draagt eraan bij. En ze kopen er ook nog eens een ticket bovenop. In de VS doneren mensen geld omdat ze dat willen. Dat zijn vaak kleine bedragen van bijvoorbeeld honderd dollar. Uiteraard zijn er ook mensen die een cheque van een miljoen geven, maar iedereen geeft wat ze willen of kunnen. Iedereen heeft daar ook hun persoonlijke redenen voor: omdat ze iets aan de gemeenschap willen teruggeven, of omdat hun kind piano speelt. In de VS bouw je daardoor een band op met je donateurs, op zich is dat geen slecht systeem. De overheid kan ook niet alles financieren. We klagen in Europa over belastingen, maar tegelijk hebben we torenhoge verwachtingen. We willen gezondheidszorg, we willen dat de straten er goed bijliggen, we willen de politie kunnen bellen. Als je je niet wil verantwoorden tegenover de overheid, prima. Maar verantwoordelijkheid naar de gemeenschap toe, je buren, dat moeten we ook zelf durven nemen. We kunnen op dit moment veel zeggen over de VS, maar de gemiddelde Amerikaan is een heel genereus en zorgzaam iemand. Na er twintig jaar te hebben gewoond, kan ik dat wel zeggen.
Maak je als directeur ook andere artistieke keuzes als je bijvoorbeeld afhankelijk bent van privépartners?
Nee, want je moet altijd een publiek aanspreken. Je kan niet alleen van je sponsors leven. Natuurlijk kan je een mecenas direct aanspreken voor pakweg een barokproductie als je weet dat die van barok houdt. Maar je moet ook tickets verkopen. En de productiekosten gaan altijd maar omhoog. Om het publiek aan te spreken moet je gevoelig zijn voor de thema’s die vandaag leven, zodat wat je op het podium brengt mensen op zijn minst doet nadenken. Die thema’s verschillen lokaal nogal. In Seattle hebben we een productie over Charlie Parker gebracht, maar ook over Malcolm X en over een zwarte man die het slachtoffer was geworden van politiegeweld.
Toch lijken producties vandaag minder controverse te veroorzaken dan vijftig jaar geleden.
Misschien omdat we alles al gezien hebben. Je kan nog controverse veroorzaken, maar dan moet je al extreme standpunten innemen. Ik kijk met lede ogen naar de anti-immigratieacties van ICE in de VS. Ze zijn gevaarlijk en werken geweld in de hand. Ze arresteren mensen zonder papieren, vaak op een heel gewelddadige manier en door de wetgeving compleet te negeren. Welk signaal geef je dan aan de samenleving? Zulke extremen zijn nefast voor een maatschappij. Je moet een bepaalde wettelijke en morele standaard behouden. Ik ben niet echt religieus, maar de Tien Geboden weerspiegelen zo’n moreel kader bijvoorbeeld wel.
Ik had het vooroordeel dat je met privaat geld enkel de populaire, makkelijke opera’s kon brengen.
Dat klopt helemaal niet. Ik heb altijd een heel divers repertoire kunnen programmeren met heel wat hedendaagse componisten, zoals Philip Glass, Tobias Picker, Kevin Puts, Carlisle Floyd … Ik kan die lijst nog lang laten doorgaan.
In welke mate bepalen je eigen levenservaringen de artistieke keuzes?
Je wordt wie je bent door het traject dat je hebt afgelegd. Het is in de eerste plaats mijn persoonlijkheid die bepaalt hoe ik leiding geef, en mijn job bij het artiestenbureau is daar erg belangrijk in geweest. Daar heb ik geleerd dat fouten maken normaal is. Mijn Italiaans was nog niet goed, maar mijn baas zei: “Blijf niet op je stoel zitten. Doe iets, maak fouten. En als je het echt verknoeit, dan sta ik achter jou. Jouw fout is mijn fout.” Dat is wat iemand in een leiderspositie moet doen: verantwoordelijkheid nemen. Je kan je niet verschuilen achter collega’s die onder je werken. Dat neem ik zelf heel ernstig. Maar natuurlijk heb ik ook mijn eigen smaken.
Hoe doorslaggevend zijn die persoonlijke voorkeuren in een programmatie?
Ik kijk vooral naar wat een huis en zijn publiek nodig hebben. Wat is er in het verleden geprogrammeerd en wat ontbreekt er nog? Pas daarna speelt mijn eigen esthetiek een rol, vooral bij de keuze van dirigenten, regisseurs, ontwerpers en zangers. Maar het huis komt eerst, en daarom verschilt wat ik in San Francisco of Seattle programmeerde volledig van wat ik hier zal doen..
Is er iets wat je denkt dat Brussel nodig heeft?
Ik zou hier heel graag “Moby-Dick” van Jake Heggie brengen, omdat Brussel niet ver van de zee ligt. Tegelijk hou ik ook rekening met meer populaire titels, zoals die van Donizetti. Bij programmatiekeuzes is het vooral belangrijk om je eigen ego opzij te zetten. Helaas zie ik in deze sector te vaak mensen die hun ego laten primeren op op de belangen van het huis, het publiek en zelfs het budget. Natuurlijk heeft iedereen een ego, ook ik. Maar dat mag je verantwoordelijkheidsgevoel niet in de weg staan. De overheid vertrouwt mij een bepaald budget toe en verwacht dat ik daar zorgvuldig mee omga. En die verantwoordelijkheid draag je tegenover elk personeelslid: van de bewakingsagent tot de bestuursvoorzitter.
Wat kan dat in de praktijk betekenen?
Dat we meer producties gaan hernemen. Is het nodig om telkens een nieuwe voorstelling te creëren? Elke keer weer nieuwe stukken bestellen voedt niet alleen het ego, het is ook enorme verspilling. We zijn maatschappelijk zo begaan met duurzaamheid, waarom zouden we dan een productie maar één seizoen uitvoeren? Laten we bovendien niet vergeten dat opera’s soms ook tijd nodig hebben om te rijpen. ‘La Traviata’ was een complete ramp bij de première. Het publiek verwierp het omdat het hen een te confronterende sociale spiegel voorhield. Opera’s verdienen dus ook een tweede en derde kans. Misschien moeten daarnaast meer aandacht hebben voor de kleinere kameropera’s. Die zijn uitermate geschikt om thema’s op een lichtvoetige en humoristische manier te brengen. Opera hoeft immers niet enkel tragedies te brengen. Het leven is misschien moeilijk, maar het biedt ook geweldig mooie en grappige dingen.
Alleen is het moeilijker om een publiek te doen lachen dan het tot tranen te brengen.
Dat klopt. Maar de lach kan een uitstekende stimulus zijn om mensen aan het denken te zetten: was het enkel grappig of zat er meer achter?
Denk je dat opera als genre zal overleven en over pakweg honderd jaar nog zal bestaan?
Ja, op voorwaarde dat we het repertoire blijven aanvullen en blijven vernieuwen. Verhalen vertellen met tekst en muziek is zo oud als de beschaving zelf. We bestaan allemaal uit verhalen en in een opera proberen we die zo krachtig mogelijk te vertellen, via humor of tragiek. Dus we blijven nog wel even bestaan. En laten we vooral niet vergeten dat kunst verbindt. In Washington gingen Justice Bader Ginsburg en Justice Scalia als vrienden naar de opera, ondanks hun ideologische tegenstellingen als respectievelijk democraat en republikein.
Justice Ginsburg heeft je zelfs gehuwd.
Ze was abonnee van de Washington Opera en The Met, maar organiseerde ook maandelijks recitals in de antichambre van het Supreme Court. Ik ging daar regelmatig naartoe. Ze had zelfs cameo’s in enkele opera’s en in haar bureau hingen foto’s van haar met Plácido Domingo, een getekende partituur van Moby-Dick … Ze was er echt heel erg mee bezig. Ze is ook naar mijn afscheidsfeest in Washington gekomen en gaf me een prachtige brief samen met een foto van de vier vrouwelijke rechters van het hooggerechtshof. Omdat ze ook andere operakoppels had getrouwd, schreef ik haar met de vraag of ze dit ook voor mij en mijn partner wilde doen. En dat deed ze. Het was een ontzettend lieve vrouw die met een stille stem sprak, waardoor je vanzelf de moeite deed om echt naar haar te luisteren. Zolang we dus geen robots worden, zullen opera’s mensen blijven beroeren. Van het Supreme Court tot het postkantoor waar een medewerker vijftig dollar aan de opera doneert. Ik heb in de VS met eigen ogen gezien dat opera er voor iedereen kan zijn en niet enkel voor de ‘happy few’.
