Vanaf 1 februari 2019 treedt een nieuwe rolrechtenregeling in werking. Dit is het gevolg van de Wet van 14 oktober 2018 totwijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Wijzigingen en gevolgen

In het nieuwe regime is het tarief van het rolrecht niet meer afhankelijk van de waarde van het geschil, zoals het eerder door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd. Ook de rol (algemene rol, register van verzoekschriften of register van de vorderingen in kort geding) waarop de zaak werd ingeschreven, is niet meer van tel. Het tarief is wel afhankelijk van de rechtbank waar de zaak wordt ingeschreven:

RechtbankRolrecht vanaf 1 februari 2019
Vredegerecht50 EUR
Politierechtbank50 EUR
Rechtbank van eerste aanleg165 EUR
Ondernemingsrechtbank165 EUR (tenzij bij vorderingen in het kader van insolventieprocedures)
Hof van Beroep400 EUR
Hof van Cassatie650 EUR

Ingrijpender is het feit dat de eisende partij de rolrechten niet meer onmiddellijk moet voorschieten. Het rolrecht zal pas op het einde van de procedure moeten betaald worden en het is de rechter die zal bepalen wie de rolrechten moet betalen. In principe volgt men hierbij volgende redenering:

  • De partij die de zaak op de rol heeft doen stellen, moet de rolrechten betalen, tenzij de andere partij in het ongelijk werd gesteld;
  • Wanneer de partijen elk voor een deel in het ongelijk werden gesteld, zal de rechter de verdeling van de rolrechten bepalen.

Dit nieuwe regime stootte al op kritiek van vrederechter Lode Vrancken die aanhaalde dat wie zijn energiefactuur niet kan betalen, ook die rolrechten niet zou kunnen betalen. De Staat zou op die manier heel wat inkomsten mislopen.

“Nu betalen die vooraf en is het geld voor de staatskas. Als we de verliezers achteraf het rolrecht aanrekenen, is het nog maar de vraag of ze dat ooit gaan betalen. Wie z’n ziekenhuisrekening niet kan betalen, heeft die 50 euro ook niet. Zelfs via de belasting innen, zal bij deze mensen moeilijk zijn.” (Lode Vrancken, vrederechter – Het Laatste Nieuws, 22/12/2018)

Voortaan zijn ook alle zaken voor de arbeidsrechtbank vrij van rolrecht en hetzelfde geldt voor zaken voor de Ondernemingsrechtbank (voorheen Rechtbank van Koophandel) voor vorderingen die betrekking hebben op de insolventieprocedure.

Door de nieuwe regeling worden de rolrechten evenwel aanzienlijk duurder maar wordt de drempel tot de rechtbank niet verhoogd aangezien de eisende partij die verhoging niet meer moet voorschieten. We kunnen dus stellen dat de rolrechten nu veel transparanter zijn en er geen verschillen meer bestaan binnen eenzelfde aanleg.

 

Kim Wybo, Advocaat